Hoe goed een team ook is, een wedstrijd win je door goed af te werken. Dat betekent voorzetten van medespelers goed verwerken en ze zuiver binnenschieten.
Afwerkoefeningen met voorzetten horen daarom vast bij je training, vooral voor spitsen en middenvelders. Ze zijn nodig om de techniek en het zelfvertrouwen van je spelers te verbeteren.
Veel van deze oefeningen zijn bedoeld voor gevorderde spelers. Een paar zijn ook eenvoudig genoeg voor beginners, zodra ze de basis van het voetbal kennen en de belangrijkste vaardigheden onder de knie hebben.
1. 2 tegen 1: kies een kant
Zet de spelers in drie rijen, op 30 à 35 meter van een groot doel.
Zet daarna een klein opvouwbaar doeltje neer, zoals op de afbeelding hierboven. De spelers in de rij die het verst van het doel staat, hebben allemaal een bal. De keeper staat in het grote doel.
De eerste speler uit die rij passt de bal naar de voorste speler van een van de andere twee rijen. Samen vormen die twee het aanvallende team.
De speler die de bal niet krijgt, wordt verdediger. Zo speel je 2 tegen 1.
De aanvallers proberen langs de keeper te scoren, de verdediger probeert de bal terug te winnen.

Waarom deze oefening?
Spelers leren beter scoren. Het begint met een zuivere pass van de eerste speler, zodat de ontvanger genoeg tijd heeft om op doel te schieten.
2. Snel afwerken in één keer
Zet twee pionnen bij de rand van de zestien, aan de uiteinden van de strafschopboog. Verdeel de spelers in twee groepen en zet ze aan weerszijden van het doel neer, zoals op de afbeelding. Elke speler heeft een bal.
De eerste speler van een van de rijen begint. Hij loopt om de dichtstbijzijnde pion en krijgt de bal van de voorste speler uit de andere rij. Die bal werkt hij in één keer af. Tip: met oefeningen die spelers alleen kunnen doen, verbeteren ze hun balgevoel ook.
Zodra de pass is gegeven, loopt de speler uit de andere rij om zijn pion en gaat de oefening verder.

Waarom deze oefening?
Om de pion lopen en de bal krijgen lijkt op een echte wedstrijd, waarin een spits snel moet bewegen om van zijn verdediger los te komen en de bal in de ploeg te houden. Omdat de oefening in een hoog tempo gaat, oefenen spelers hun schot in één keer terwijl ze naar voren bewegen.
3. Afwerken voor het doel
Voor deze oefening gebruik je een half veld. Zet een verplaatsbaar doel, maakt niet uit hoe groot, op ongeveer 7 meter van de strafschoplijn aan de rechterkant van het veld.
Zet aan de andere kant van het veld een vak uit van ongeveer 7 bij 7 meter, op één lijn met het verplaatsbare doel. Zet in beide doelen een keeper.
Twee spelers zijn aangever en hebben genoeg ballen bij zich. De eerste aangever staat in de middencirkel, de tweede bij een van de hoeken van het grote doel.
De andere spelers staan in een rij langs de zijlijn, tegenover het verplaatsbare doel. Eén speler staat aan de kant van het verplaatsbare doel.
De eerste aangever speelt de bal het vak in. Speler 1 komt vanaf de zijlijn naar voren, neemt de bal aan en passt naar speler 2. Speler 2 speelt terug naar speler 1, die op het verplaatsbare doel schiet.
Na zijn pass loopt speler 2 richting het grote doel en krijgt de bal van aangever 2. Daarna probeert speler 2 te scoren in het grote doel.
In de volgende ronde neemt speler 1 de plek van speler 2 in. Speler 2 wordt de eerste aangever, en die sluit aan in de rij.
Waarom deze oefening?
Een pass- en schietoefening waarmee spelers hun aanname verbeteren. Ze leren ook samen te spelen en goede combinaties te maken.
4. Trainingspartij 6 tegen 4
Deze passoefening speel je in een vak van ongeveer 35 bij 55 meter, met aan beide kanten een groot doel. Afhankelijk van het niveau en het aantal spelers kun je ook een groter vak gebruiken.
Het liefst doe je deze oefening met 10 spelers. Verdeel ze in een team van 6 en een team van 4. Geef de spelers van het grote team een nummer van 1 tot 6.
De teams spelen tegen elkaar met de normale regels. Maar: het team van 6 moet bij balbezit steeds op volgorde van de nummers passen. Voor het andere team geldt die regel niet.

Waarom deze oefening?
Een van de beste afwerkoefeningen om beter te leren passen in en rond de zestien. Ook de communicatie tussen de spelers wordt er beter van.
5. Voorzet en afwerken onder druk
Deze oefening doe je op een half veld met een groot doel. Zet een keeper in het doel en begin met vier spelers: twee aanvallers en twee verdedigers.
Zet vier pionnen op het veld en laat de spelers erbij staan. Speler 1 begint en speelt de bal richting een hoek bij het doel. Speler 3 loopt naar voren om de bal te halen. Tegelijk komt speler 4 naar voren om speler 3 te verdedigen.
Speler 3 geeft een voorzet op speler 1, die de bal verwerkt en probeert te scoren. Speler 2 probeert speler 1 af te stoppen.
Herhaal de oefening en wissel de spelers door, zodat iedereen zowel aanvalt als verdedigt.
Waarom deze oefening?
Een van de beste afwerkoefeningen, omdat hij echt op een wedstrijd lijkt. Het is ook een goede voorzetoefening: de speler leert inschatten wat de voorzetter gaat doen en oefent het afwerken en schieten onder druk. Lopers leren bovendien hun loopactie te timen op de baan van de bal.
Tot slot
Met deze afwerkoefeningen benutten je spelers in een echte wedstrijd meer kansen. Ze leren ook onder druk betere beslissingen te nemen.
Als trainer kun je deze oefeningen combineren met een warming-up en partijtjes op een klein veld, zodat je het meeste uit je training haalt.
Wil je deze oefeningen thuis doen? Met een Open Goaaal 3-in-1 voetbaldoel met rebounder heb je een complete trainingsplek in je tuin: schieten, missen, en de bal komt meteen terug.
Meer verhalen
5 schietoefeningen voor kinderen: zo leren ze scoren