De rondo is een van de bekendste oefeningen in het voetbal, en hij draait om balbezit. Hoe beter je spelers de bal in de ploeg houden en controleren, hoe groter de kans dat je scoort en de wedstrijd wint.
Kenners zijn het niet altijd eens over hoeveel balbezit nu precies uitmaakt in een wedstrijd. Maar de rondo is een oefening die je op de training niet kunt overslaan.

Wat is een rondo in het voetbal?
Bij een rondo draait alles om balbezit. Meestal speel je hem in een klein vak of een cirkel, met twee ongelijke groepen. Het aantal spelers kan verschillen, maar je hebt er minstens drie nodig.
De kleinste groep probeert de bal te veroveren op de groep die de bal rondspeelt. Pakt een verdediger de bal af, dan ruilt hij van plek met de speler die de bal kwijtraakte.
De rondo is een van de populairste oefeningen in het voetbal, voor beginners en voor profs. Je oefent er alles mee wat je in een wedstrijd nodig hebt: passen, aannemen en aanspeelbaar zijn.
Er zit ook strijd in, op een kleine ruimte. Zo leren spelers wat ze moeten doen met en zonder bal. Het is geen individuele oefening: je werkt samen en leert elkaar beter begrijpen in een krappe ruimte.
Johan Cruijff, de legendarische Nederlandse speler en trainer, zei het zo: 'Alles wat er in een wedstrijd gebeurt, behalve schieten, kun je in een rondo doen.' Geen wonder dat Xavi, de trainer van FC Barcelona, de rondo ziet als de beste oefening voor een voetbaltraining.
Zo zet je een rondo op
Je kunt je training beginnen met de gewone oefeningen voor spelers onder 6 jaar, of de rondo gebruiken als warming-up. Een belangrijke regel bij de rondo: de bal blijft altijd rollen. Zolang de bal beweegt, krijgt de tegenstander geen tijd om zich te organiseren.
Zo zet je een eenvoudige rondo neer.
- Zet een vak uit van ongeveer 11 bij 11 meter en zet de verdedigers in het vak. De andere spelers staan op gelijke afstand van elkaar rond het vak. Let op: hoe groot het vak is, bepaalt hoeveel tijd spelers hebben om een keuze te maken.
- Zodra het spel begint, spelen de buitenspelers de bal rond en houden ze hem in de ploeg. De verdedigers proberen passes te onderscheppen en de bal te veroveren. Maak het moeilijker door het aantal balcontacten per speler te beperken.
- Verovert een verdediger de bal, dan ruilt hij van plek met de speler die de bal kwijtraakte. Laat ze snel wisselen, want de oefening gaat meteen weer door.
Dit zijn een paar belangrijke aandachtspunten voor de trainer.
Hoofd omhoog
Leer je spelers om hun hoofd zo vaak mogelijk omhoog te houden. Zo zien ze waar hun medespelers en tegenstanders staan, en kunnen ze een betere keuze maken.
Aannemen met je verste voet
Laat spelers oefenen om de bal aan te nemen met de voet die het verst van de bal of de verdediger af staat. Beheersen ze dat, dan winnen ze tijd om rond te kijken wat er op het veld gebeurt.
Diagonale passes
Besteed ook aandacht aan diagonale passes. Die combineren de voordelen van een breedtepass en een dieptepass. Krijgt een speler in een wedstrijd een diagonale pass naar voren, dan wint hij terrein en heeft hij een beter overzicht. Zo'n pass is voor de verdediging ook lastiger te onderscheppen.
Linies passeren
Tussen twee of meer verdedigers kun je denkbeeldige lijnen trekken. In een rondo kunnen aanvallers oefenen om de bal tussen die lijnen door te spelen. Zo trek je de tegenstanders uit elkaar en ontstaan er gaten in de verdediging.

Varianten van de rondo
Je kunt een rondo spelen als 3 tegen 1, 4 tegen 1, 4 tegen 2 of 5 tegen 2. Op basis van hetzelfde idee zijn er veel varianten. Hieronder zie je een paar bekende.
Rondovariant 1
Je speelt 4 tegen 1, maar één kant van het vierkant blijft leeg. Een van de spelers moet naar die kant lopen om de medespeler met de bal te helpen. Zo wordt het overtal kleiner en moeten spelers na hun pass in beweging komen.
Rondovariant 2
Hier oefenen spelers passes die precies tussen de verdedigers door gaan. Zo ontstaan grotere gaten en wordt de volgende pass makkelijker.
Rondovariant 3
Je speelt 4 tegen 2 in een vak van ongeveer 9 bij 9 meter. Midden in het vak zet je een klein vak van ongeveer 1 bij 1 meter uit. De spelers proberen de bal via dit kleine vak naar hun medespelers te spelen.
Rondovariant 4
Je speelt 5 tegen 2. Het verschil: een van de spelers van de balbezittende ploeg staat in het midden, tussen de 2 verdedigers. Zijn medespelers zoeken de gaten om hem aan te spelen. De middelste speler kaatst de bal snel terug en blijft uit de buurt van de verdedigers. Als het nodig is, mag hij dribbelen om de verdedigers te ontwijken.
Rondovariant 5
In deze moeilijkere variant zet je twee vakken uit van ongeveer 7 bij 7 meter, met daartussen een strook van 2 meter breed. Eerst warmen de spelers op met in elk vak een 3 tegen 1. Na een tijdje voeg je de vakken samen en zet je een extra speler in de strook. Via die speler kan de bal nu van het ene vak naar het andere.
Rondovariant 6
Hier draait het om de bal aanspelen naar één speler, een sterke centrale middenvelder of spits. Je begint in één vak met 3 tegen 1. De aanspeelbare speler staat in het midden en wordt gedekt door de andere verdediger.
Komt de bal bij hem, dan wisselen 2 van de balbezittende spelers van plek om hem te helpen. De derde balbezittende speler wordt nu de aanspeelbare speler en wordt gedekt door de andere verdediger.
Tot slot
De rondo is een van de beste oefeningen voor elke jeugdtraining. Moedig je spelers aan om met elkaar te praten en een stap vooruit te denken, zodat ze hun tegenstanders te slim af zijn.
Vergeet natuurlijk de andere onderdelen van de training niet, zoals de gewone oefeningen voor spelers onder 8 jaar. Wissel je trainingen dus af, zodat je spelers zich op alle fronten ontwikkelen.
Meer verhalen
De 10 beste 1-tegen-1-oefeningen voor voetbal